



















|
|
ANATOMIE der
Zebravink
Evolutie,
genus en familie van de zebravink.
Door
Stefan Verhoeven, student diergeneeskunde Utrecht.
Vogels stammen evolutionair gezien af van
reptielen. Dit was af te leiden uit het beperkte aantal bekende fossielen van
Archaeopteryx lithographica. Dit dier leefde in het Juratijdperk, wat
135-180 miljoen jaar geleden is. De kenmerken van reptielen die in dit dier
waren terug te vinden waren een boven- en onderkaak met tanden, een groot aantal
staartwervels, wervels die weinig met elkaar vergroeid waren, een klein sternum
zonder kam en klauwtjes aan de 3 digiti van de vleugels. De enige mij bekende
vogel die nog een klauwtje heeft aan de vleugel, zijn jongen van de hoatzin,
Opisthocomus hoazin, welke gebruikt wordt bij het klimmen in takken.
Kenmerken van de Archaeopteryx die overeenkomsten vertoonden met vogels waren de
veren en de beide vergroeide sleutelbeenderen, ofwel de furcula. Een verschil
tussen de huidige vogels en reptielen is dat vogels een lichaamstemperatuur
hebben die onafhankelijk is van de omgevingstemperatuur.
Hoewel niet alle huidige vogelsoorten kunnen
vliegen, is het vliegvermogen wel het kenmerk waar vogels bekend om zijn.
Hiervoor zijn tijdens de evolutie specifieke kenmerken ontstaan. De meeste
vogels zijn spoelvormig om zo minder last te hebben van de luchtweerstand. De
voorste ledematen (de armen bij mensen) zijn aangepast om mee te kunnen vliegen.
Het skelet is licht in gewicht. De botten zijn wel compleet verkalkt, maar in de
lange pijpbeenderen zit vaak geen merg maar uitstulpingen van de luchtzakken. De
wervels zijn op verschillende plaatsen vergroeid voor extra stevigheid. Het
borstbeen is bij de meeste vogelsoorten sterk ontwikkeld en heeft een kam welke
als aanhechting van de vliegspieren dient. Verder bezitten vogels uiteraard
veren die het vliegen mogelijk maken. Andere kenmerken van vogels die niet of
minder met het vliegvermogen samenhangen zijn: de afwezigheid van zweetklieren,
de snavel, vergroeiing van vele schedelbeenderen, een respiratieapparaat met
relatie f kleine, geringe uitzetbare, longen, welke verbonden zijn met
luchtzakken. Vogels kunnen geluid maken met behulp van de syrinx, welke op de
splitsing van de trachea (luchtpijp) naar de 2 hoofdbronchiën ligt. De syrinx
kan vele verschillende vormen hebben al naar gelang de vogelsoort. Bepaalde
eendensoorten hebben een zeer sterk ontwikkelde syrinx. Sommige vogelsoorten
hebben een copulatie orgaan, maar dat is bij zebravinken niet het geval. De
meeste vrouwelijke vogels hebben slechts 1 ontwikkeld eierstok en eileider. De
bevruchting van de eicel vindt inwendig plaats.
Zebravinken behoren tot de klasse der Aves
(vogels), tot de orde der Passeriformes (zangvogels), tot de familie der
Estrildidae, tot het genus Taeniopygia en tot de species
guttata. Er zijn 2 ondersoorten beschreven van de zebravink, hierdoor wordt
de wetenschappelijke naam van de zebravink Taeniopygia guttata guttata voor de
nominaatvorm (bij ons bekend als de Timor zebravink) en Taeniopygia guttata
castanotis voor de ondersoort (de Australische zebravink, waar de
gedomesticeerde zebravink van afstamt).
|
|
|
Skelet van een zebravink
|
|
|
|
Zebravink waarvan de huid verwijderd is voor onderzoek.
|
|
|
|
De buikwand is verwijderd voor verder onderzoek
|
|
|
|
Detailfoto van de klier- en spiermaag
|
|
|
Anatomie skelet
Zoals op de afbeelding te zien is bestaat het
skelet van vogels net als bij mensen uit een heleboel afzonderlijke botten. Veel
van deze botten komen qua opbouw en functie overeen met de botten van de mens.
Andere botten zijn van oorsprong vergelijkbaar met de botten die in de mens
voorkomen maar zijn in de loop van de evolutie veranderd om beter aangepast te
zijn op zijn functie. Botten worden embryonaal al gevormd. Voor het vormen van
bot zijn enkele verschillende celsoorten betrokken met ieder hun eigen functie.
Sommigen zorgen voor de opbouw van bot, andere voor de afbraak van bot. Want
hoewel een bot een vrij star iets lijkt, welke eenmaal aangelegd hetzelfde zou
blijven, is dat dus allerminst het geval. Bot wordt constant opgebouwd en weer
afgebroken. Dit kan zowel komen om de calcium reserves vrij te maken die op dat
moment nodig zijn voor de vogel (bij groei, maar bijvoorbeeld ook bij het leggen
van eieren). Echter onder invloed van belasting van een bot wordt deze
omgevormd. Wordt het bot weinig belast, dan zal deze wat luchtiger worden
opgebouwd. Hierdoor is er nog voldoende stevigheid voor ondersteuning, maar zal
het gewicht afnemen. Wordt het bot veel belast dan wordt deze steviger
opgebouwd. Het bot zal dichter van structuur worden, waardoor deze meer krachten
kan weerstaan.
Anatomie organen
Longen:
Longen bij vogels zijn compleet anders
opgebouwd dan bij mensen. In tegenstelling tot bij mensen zijn de longen van
vogels geen beweeglijke ballonachtige structuren, maar een sterk vertakt
buizenstelsel. Verder bezitten vogels luchtzakken. Een deel van de luchtzakken
slaan de ingeademde lucht op, het andere deel slaat voornamelijk de uitgeademde
lucht op. De luchtzakken zijn ongeveer 10x zo groot als de longen van een vogel.
Verder spelen de luchtzakken ook een rol bij de warmtehuishouding en bovendien
maken ze de vogel lichter, wat handig is bij het vliegen.
Maagdarmkanaal:
Ook het maagdarmkanaal wijkt wat af bij
vogels. Zelfs tussen vogelsoorten onderling zit ook vrij veel verschil in de
onderlinge verhoudingen van de afzonderlijke darmdelen. Deze verschillen zijn er
vooral tussen vogelsoorten die verschillend voedsel opnemen. Voor een belangrijk
deel komt het maagdarmkanaal qua functioneren overeen met dat van mensen. Vogels
hebben ook speekselklieren, echter deze zijn bij de zebravink talrijker aanwezig
dan bij mensen. Voedsel wordt in de bek niet gekauwd en wordt bijna direct
doorgeslikt, waarbij het speeksel vooral als glijmiddel dienst doet. De slokdarm
van onder andere zebravinken heeft een verwijding en waar voedsel in opgeslagen
wordt, de krop. Vervolgens gaat het voedsel naar de maag. De maag van vogels
bestaat uit 2 delen. Namelijk het eerste deel, de kliermaag, en de spiermaag. De
kliermaag is vergelijkbaar met de maag van mensen, er worden verteringssappen en
zoutzuur afgegeven. De spiermaag is bij zaadetende vogels goed ontwikkeld . De
wand van de spiermaag is zeer gespierd. De functie van de spiermaag is het
fijnmalen van het voedsel, de werking wordt verbeterd door opgenomen steentjes
welke ook in de spiermaag terecht komen. De binnenlaag van de spiermaag wordt
door een dikke en harde laag beschermd tegen overmatige slijtage. Na de
spiermaag gaat het voedsel naar de dunne en dikke darm. De blinde darm van
zebravinken ik bijna compleet afwezig. Het laatste deel van het maagdarmkanaal
is de cloaca. Hier wordt ook de urine in afgegeven en tevens monden de eileider
of de afvoerende kanalen van sperma in de cloaca uit. Bij de cloaca ligt de
Bursa van Fabricius, deze is bij jonge dieren sterk ontwikkeld en zorgt voor de
opbouw van het afweersysteem. Uiteindelijk wordt bij een gezonde vogel de mest
uitgepoept samen met een klein wit kapje. Dat witte kapje is de urine.
Spieren:
Spieren wijken in werking en opbouw weinig
tot niets af van de spieren in mensen. Maar 2 zijn wel afwijkend met mensen, dat
zijn de Musculus pectoralis en de Musculus supracoracoideus. Dit zijn de
borstspieren die het vliegen mogelijk maken. Ze bestaan uit witte spiervezels,
die geschikt zijn voor snelle en kortdurende inspanning, en rode spiervezels,
welke meer geschikt zijn voor langdurige inspanning. Bij het vliegen maken
vogels gebruik van het helicopterprincipe, waardoor ze naar boven kunnen
bewegen, en van het vliegtuigprincipe, waardoor ze vooruit kunnen bewegen.
Nieren:
De nieren van vogels zijn uit 2 verschillende
typen nefronen (dat zijn de structuren waardoor urine wordt gevormd) opgebouwd.
Namelijk reptieltype nefronen en zoogdiertype nefronen. De zoogdiertype nefronen
zijn vergelijkbaar met die van de mens. De reptieltype nefronen kunnen de urine
minder goed concentreren dan de zoogdiertype nefronen. Wanneer vogels uitdrogen
worden de reptieltype nefronen geremd, waardoor minder vocht verloren gaat via
de urine. Verder scheiden vogels voornamelijk urinezuur uit, in plaats van ureum
wat voor de mens normaal is. Bij de uitscheiding van urinezuur gaat minder vocht
verloren dan bij ureum, waardoor vogels relatief minder water op moeten nemen
dan zoogdieren. Een ander zeer belangrijk voordeel van urinezuur is dat het
ervoor zorgt dat tijdens de groei van een kuiken in een ei, niet te veel water
wordt vastgehouden. Veel water zou de ontwikkeling van een kuiken ernstig
benadelen. Nadeel van urinezuur is dat het slecht oplosbaar is en som s kan
neerslaan op andere plaatsen in het lichaam, zoals bij jicht het geval is. De
nieren van vogels zijn relatief groot.
Vogels hebben geen blaas, de urine wordt in
de cloaca aan de mest toegevoegd. In de cloaca kan de urine nog verder
geconcentreerd worden.
Huid en veren:
De huid van vogels is over het algemeen veel
dunner dan die van zoogdieren en is ook er los verbonden met de onderliggende
weefsels. Verder bezit de huid van vogels geen zweetklieren en slecht een
beperkt aantal talgklieren, waarvan de stuitklier, glandula uropygialis, de
meest bekende is en ook de belangrijkste is. Onder invloed van hormonen kan in
het broedseizoen een broedplek ontstaan op de buik, alwaar de veren verloren
gaan en de doorbloeding toeneemt, waardoor een betere warmteoverdracht mogelijk
is.
De meest opvallende huiddelen van een vogel
zijn uiteraard zijn veren. De veren zorgen voor bescherming tegen uitwendige
invloeden, zorgt voor warmte isolatie en stelt de vogel in staat om te vliegen.
De contourveren zijn bij zebravinken niet gelijkmatig verdeeld over het lichaam,
maar ingeplant in bepaalde gebieden, ofwel de veervelden. De tussenliggende
gebieden zijn voornamelijk bedekt met donsveren. Contourveren zijn de
slagpennen, vleugeldekveren, staartpennen en de lichaamscontourveren.
De slagpen bestaat uit een schacht, een vlag
en het onderste deel van de schacht welke vlagloos is, de spoel. De spoel is een
holle buis met aan het uiteinde een ronde opening waar, wanneer de veer zich nog
in de vogel bevind, de dermispapil met bloedvaten naar binnen steekt. Op de
overgang van spoel naar vlag bevindt zich een tweede opening, alwaar en kleine
bijveer kan ontstaan, of een rijtje donsbaarden wordt gevormd. De spoel gaat
over in de schacht welke aan de lichaamszijde een groeve bevat voor extra
stevigheid. Aan weerszijden van de schacht zijn de baarden bevestigd onder een
hoek van ongeveer 45 graden. De baarden zijn in de staartpennen, maar in de
vleugelpennen asymmetrisch. Elke baard heeft aan weerszijden een rij baardjes,
welke een hoek maken van ongeveer 45 graden met de baard. De baardjes van 2
opeenvolgende baarden overlappen en kruisen elkaar dan ook onder een hoek van 90
graden. Doordat de baardjes aan de uiteinden haakjes bevatten, welke om de
baardjes van d e volgende baard zijn gehaakt, verkrijgt de vlag zijn
elasticiteit, welke nodig is om te vliegen. Bij de eumo zebravink heeft zich een
verandering in de veerstructuur voorgedaan, waardoor de haakjes afwezig zijn.
Hierdoor worden de baarden niet aan elkaar gehaakt, en in plaats van goed te
kunnen vliegen ontstaat er het probleem dat de lucht te hard door de veren
waait, waardoor eumo zebravinken minder goed kunnen vliegen. Donsveren spelen
een zeer belangrijke rol bij het op temperatuur houden van het lichaam van onze
zebravinken. Donsveren hebben een korte schacht en geen baardjes met haakjes.
Bij bepaalde donsveren breken de baardjes tijdens de groei telkens af, waardoor
het veerpoeder ontstaat. Dit poeder vormt een waterdichte bekleding voor de
contourveren. Verder bezit een vogel ook nog haarveren, welke verspreid over het
gehele lichaam voorkomen. Ze bestaan uit een haarachtige schacht met soms een
pluimpje baarden aan de top.
De veren van vogels vertonen in ontwikkeling
overeenkomsten met de ontwikkeling van schubben bij reptielen. Verder bezit de
zebravink ook gewoon schubben, denk daarbij aan de bedekking van de poten. Om
tot een veer te komen, ontstaat eerst een schijfvormige verdikking van de
epidermis (opperhuid) en wordt een dermispapil gevormd. Rondom deze dermispapil
ontstaat een inzinking in de huid, de veerfollikel. De dermispapil is rijk aan
bloedvaten en groeit in de veer wanneer deze zich ontwikkeld. Hierdoor ontstaat
een kegel met een centrale voedingsbron en een hoornvormige epidermis aan de
buitenkant. Vervolgens groeien bij donsveren, vanuit een ring aan de basis, in
de lengte de baarden uit. Daarna trekt de dermispapil zich terug, waarbij een
hoornlaagje achterblijft. Tenslotte breekt de schede open en kan de donsveer
zich ontplooien. De ontwikkeling van een contourveer begint en eindigt op
dezelfde manier, maar tijdens de vorming van de baarden uit de ring aan de
basis, ontwikkelt zich aan de rugzijde van deze ring de schacht. De schacht
neemt de baarden, die voortdurend door de ring worden gevormd, mee als hij
verder uitgroeit. Als de schede openbreekt kan de vlag zich ontplooien.
Zoals bekend bezitten pasgeboren zebravinken
slecht zeer beperkt veren, de veren die er zitten zijn donsveren. Vervolgens
ontwikkelt het jeugdkleed, waarna na de rui het volwassen verenkleed te
voorschijn komt. Op bepaalde tijden gaan vogels ruien om zo hun afgesleten veren
te vervangen. Het ruien wordt veroorzaakt door milieu-invloeden, hierbij valt
bijvoorbeeld te denken aan de temperatuur. Hierdoor komen hormonale processen op
gang die voor de rui moeten zorgen. Vogels in slechte conditie ruien vaak slecht
en vormen dan vaak bloedpennen. Dat zijn veren waarbij de vlag zich niet
ontplooid of waarvan de dermispapil met bloedvaten hoog in de spoel blijft
zitten. Niet alle veren worden bij de zebravink tegelijk vervangen, anders zou
het vliegvermogen verloren zijn. Wanneer een veer buiten de rui verloren gaat
wordt de dermispapil weer actief en vormt een nieuwe veer. Echter is dat alleen
het geval wanneer de veer volledig verloren gaat, blijft de schacht zitten dan
duurt het tot de volgende rui voordat deze veer wordt vervangen. Van dit feit
wordt bij het kortwieken van vogels gebruik gemaakt.
Algeheel functioneren
Qua warmte regulatie zijn er ook verschillen
tussen mensen en zoogdieren. Het verenkleed is een zeer effectieve isolator en
kan door bijvoorbeeld het opzetten van de veren nog voor een regelbare isolatie
zorgen. Wanneer een vogel zijn kop tussen de veren steekt kan dit de
warmteafgifte tot 30% laten afnemen. Verder bezitten bijna alle vogels geen
onderhuidse vetlaag, welke bij zoogdieren wel voorkomt. Zoals al eerder genoemd
hebben vogels geen zweetklieren en daarom regelen zij de koeling voornamelijk
via de ademhaling. Wel kunnen vogels water uit hun huid verdampen, maar dit
vindt niet plaats met behulp van zweetklieren. Om af te koelen gaat de zebravink
sneller ademen terwijl de hoeveelheid in- en uitgeademde lucht afneemt. Verder
komt bij het vliegen veel warmte vrij, welke zo snel mogelijk afgevoerd dient te
worden. Het basale metabolisme bij vogels ligt vrijwel altijd hoger dan bij
zoogdieren. Daarbij moet vermeld worden dat Passeriformes, waartoe ook de
zebravink behoord, een metabolisme hebben dat nog eens 2 maal hoger ligt dan bij
andere vogels. Vogels hebben ongeveer hetzelfde gehoor en dezelfde
kleurperceptie als mensen. De reuk is echter zwak ontwikkeld bij zangvogels en
ze bezitten maar weinig smaakpapillen.
Terug naar boven
© The World Of
Zebrafinches - Jos & Sebastien Libens
|