|
ERFELIJKHEID
Velen onder jullie kennen wel de uitdrukking: Joris heeft een
aardje naar zijn vader of Sofie handelt juist zoals haar oma. Dit zijn termen
die we zo regelmatig gebruiken, maar waarvan we de ware betekenis niet beseffen.
Ik zou het anders willen stellen en besluiten: we spreken meer over erfelijkheid
dan we zelf beseffen. Onder erfelijkheid verstaan we bij onze zebravinken het
doorgeven van alle mogelijke eigenschappen van de oudervogels aan hun jongen.
Vermits de geslachtscellen (gameten) van deze oudervogels de enige band zijn tussen ouders
en jongen, beschouwen we deze geslachtcellen als de dragers van de erfelijk
eigenschappen.
De zebravink die wij kweken is de afstammeling van de wilde
zebravink in Australië, die we ook de "wildvorm" noemen. De wildvorm is de
oorspronkelijke kleur- en modelvogel; deze is opgebouwd uit ontelbare
wildfactoren. Elk van deze factoren heeft een eigen functie en is
verantwoordelijk voor een bepaald kenmerk.
Het begrip "mutatie":
Een mutatie is een plotseling ontstane verandering van de erfelijke aanleg. Een
bepaald kenmerk is dan anders dan bij de wildvorm; de snavel is bijvoorbeeld
okergeel in plaats van koraalrood.
De mutatie verandert dus iets aan de oorspronkelijke wildfactoren. Een mutatie is
niet bewust te realiseren door manipulatie, zo zijn bij onze zebravinken alle
mutaties plots ontstaan.
Wanneer een nieuwe kleur ontstaat uit twee of meer mutaties spreken we van een
mutatiecombinatie, voorbeelden zijn de witborst pastel bruin, de isabel
oranjeborst zwartborst blackface bruin, de zwartwang blackface bleekrug grijs,
... .
Terug naar boven
Meervoudige mutatiereeks:
Stel er doet zich plots bij een kweker in Europa een recessief verervende
mutatie A voor, hetzelfde jaar doet er zich een andere recessief verervende
mutatie B voor bij een kweker in Amerika. Deze mutaties worden plaatselijk veel
gekweekt en er worden vogels verhandeld tussen beide continenten. U komt nu als
kweker in het bezit van beide mutaties en koppelt beide aan elkaar, een logische
redenering zou zijn dat u terug voor de volle 100% wildkleur jongen kweekt die
dan split zijn voor beide mutaties. Nu komt u echter tot de vaststelling dat u allemaal jongen
kweekt van de mutatie B en geen wildkleur. De enige verklaring hiervoor is dat
beide mutaties een invloed hebben op hetzelfde gen.
Doordat we allemaal vogels van de mutatie B kweken, zeggen we dan dat mutatie B
overheersend is of dominant over mutatie A.
Bij onze zebravink kennen we één MM-reeks of meervoudige mutatiereeks. Het
betreft de wisselwerking tussen bleekrug en masker.
In praktijk is vastgesteld
dat bij het onderling paren van grijs aan bleekrug grijs we de te verwachten
resultaten verkrijgen, net als bij de paringen van grijs aan masker grijs. Het
specifieke aan de MM-reeks zien we verschijnen als we bleekrug grijs en masker
grijs onderling paren, dan stellen we vast dat bleekrug grijs dominant is over
masker grijs.
Een meervoudige mutatiereeks ontstaat dus als een gen van
de wildvorm meer dan eens muteert. De Latijnse naam hiervoor is "multiple
allelomorfe". Doordat bleekrug en masker ook nog geslachtsgebonden vererven, krijgen we
specifieke uitkomsten die we bij het hoofdstuk "Basiskleuren" zullen behandelen.
Terug naar boven
Theorie van de erfelijkheid:
Wanneer u als kweker van oranjeborst grijs plotseling een bruine oranjeborst pop
kweekt, dan heeft U NIET te maken met een nieuwe mutatie, doch met een erfelijke
eigenschap die één der ouders verborgen in zich droeg. In dit geval zal de
grijze oranjeborst man split zijn voor de mutatie bruin. U kweekt hier dus
zonder het vooraf te weten een mutatiecombinatie. Met dit voorbeeld bevinden we
ons al meteen in de vererving. Om dit ten volle te doorgronden, is het nodig dat
we ons gaan verdiepen in de kleinste bouwsteen van het lichaam nl. de
lichaamscel. Hoe klein deze cel ook mag zijn, toch zijn hier alle gegevens van
het individu in opgeslagen.
Somatische cel is een ander woord voor lichaamscel. Het hele lichaam van de
zebravink is dus opgebouwd uit somatische cellen. Deze somatische cellen zijn
overigens niet allemaal hetzelfde.
Naargelang hun plaats en functie zijn ze gespecialiseerd tijdens het embryonale
stadium. De inhoud van hun celkern is wel identiek, doch de info die ze
uitstraalt is per celsoort anders. Een levercel werkt bijvoorbeeld anders dan
een cel die de veer moet vormen. In een cel is onder andere het celvocht, met
daarin de celkern, aan te treffen. In deze celkern vinden we de chromosomen. Een chromosoom is
een draadvormig lichaampje. Chromosomen zijn dragers van erfelijke
eigenschappen. In de celkern bevinden de chromosomen zich paarsgewijs. We
vermelden daarjuist al dat een chromosoom een keten van aaneengeschakelde genen
is. Het zijn dus deze genen welke dragers zijn van een
erfelijke eigenschap en aan de cel de informatie, die
later uitgestraald zal worden door de cel, geven. Cellen bezitten slechts 2
genen van dezelfde bepaalde structuur. De twee chromosomen waarop zich de twee
identieke genen bevinden vormen tezamen een chromosomenpaar. Voor onze
zebravinkenkwekers is het voldoende deze genen te beschouwen als
eigenschapoverbrengers. Genen zijn dus dragers van erfelijke eigenschappen.
Terug naar boven
Celdeling:
Somatische cellen delen zich voor de groei en het herstel van het
vogellichaam. Wanneer de cel het commando geeft om tot deling over te gaan,
rangschikken de chromosoomparen zich mooi in de celkern. Daarna splitsen de
afzonderlijke chromosomen zich overlangs in tweeën. Deze halve chromosomen
noemen we chromatiden en deze twee chromatiden, welke ontstaan uit 1 chromosoom,
zijn volledig identiek. De chromatiden splitsen zich in twee identieke groepen
en de cel begint zich nu te splitsen.
Tijdens deze
splitsing reproduceren de chromatiden zich zodat er zich steeds twee chromosomen
in alle nieuwe cellen bevinden. Van iedere chromatide wordt als het ware in de
nieuwe cel een
spiegelbeeld gemaakt en spiegelbeeld plus chromatide
vormen dan weer een chromosoom. De aldus ontstane nieuwe cellen zijn gelijk aan
elkaar en het evenbeeld van de cellen waaruit ze zijn ontstaan.
Naast lichaamscellen, die een levend wezen gedurende zijn
ganse leven aanmaakt, hebben we ook geslachtscellen. Moest de geslachtscel zich
in dezelfde wijze delen als de lichaamscel, dan zouden we een overschot aan
chromosomen krijgen. We krijgen dan telkens de negen chromosomenparen van beide
ouders, wat ons tezamen achttien chromosomenparen zou geven of het dubbele van
een normale zebravink. Deze splitsing moet dus op een andere wijze plaatsvinden.
De celdeling van de lichaamscel gebeurt in één tijd. Bij de geslachtscel zal dat
in twee maal gebeuren. Bij de eerste reductiedeling zullen de chromosoomparen
zich scheiden zodat we achttien lossen chromosomen hebben, die echter vrij snel
twee groepjes van negen chromosomen vormen. Bij een grijze man die split is voor
bruin zal in het ene groepje de grijsfactor zitten en in het andere de
bruinfactor. Deze twee groepjes blijven mooi gescheiden. Tijdens de tweede
reductiedeling gaan de chromosomen in ieder groepje splitsen in chromatiden en dus onmiddellijk een reproductie doen van zichzelf. We krijgen nu vier groepjes
en deze groepjes noemen we de gameten.
Terug naar boven
Bevruchting:
Bij de bevruchting komt er een gameet van het mannetje samen met een gameet
van het vrouwtje. Dit vormt de kiemcel die bestaat uit negen chromosoomparen.
Deze eerste kiemcel is de eerste lichaamscel van de jonge zebravink en wordt ook
wel zygote genoemd. Een chromosoom is samengesteld uit gekoppelde factoren; ze
vormen samen een ketting. Deze kettingen blijven samen en zullen vele generaties
later nog steeds hun originele samenstelling hebben.
Factoren die niet op
hetzelfde chromosoom gelegen zijn noemen we onafhankelijke factoren. Deze
onafhankelijke factoren gaan hun eigen weg en zijn makkelijk te combineren, ze
vererven ook onafhankelijk van elkaar. Deze factoren zijn gelegen op acht van de
negen chromosoomparen die we autosomale chromosoomparen noemen. Het negende paar
noemen we het geslachtschromosoompaar. De term “autosomale vererving” zegt dus
iets van de plaats waar het gemuteerde gen zich bevindt. Het
geslachtschromosoompaar van het mannetje verschilt structureel van dit van het
vrouwtje doordat het mannetje twee X-chromosomen heeft en het vrouwtje één X- en
één Y-chromosoom. Je zou kunnen stellen dat het popje het geslacht van het jong
bepaald. Geeft ze in haar gameet een X-chromosoom mee dan is het jong een
mannetje, geeft ze een Y-chromosoom mee dan is het een popje.
Terug naar boven
Verervingsvormen:
Dit gedeelte is voor een zebravinkenkweker enorm belangrijk en dit
omwille van het feit dat we vele mutaties aan elkaar kunnen paren. Moeder natuur
heeft voor een paar wetten gezorgd waar we spijtig genoeg niet buiten kunnen en
daarom is het best deze te bestuderen als we op voorhand willen kunnen bepalen
wat de uitkomst van onze paringen zal zijn. We kennen bij de zebravink in onze
contreien drie verervingen: dominant, recessief en geslachtsgebonden, alhoewel
deze laatste eigenlijk recessief is. In Amerika en Australië wordt er ook
gesproken over onvolledig dominant, maar zover zijn we in België nog niet.
Buiten dit alles vererft alles bij de zebravink “intermediair”, anders gezegd:
het resultaat zal het midden houden tussen de eigenschappen van beide ouders.
Een donkere kleur gepaard met een lichte kleur zal jongen geven die qua kleur
schakeringen vertonen die tussen deze van de ouders liggen. Eigenlijk spreken we
dan niet van een verervingsvorm, maar van een verschijningsvorm. Een kleine
illustratie als voorbeeld: een mannetje met een lange snavel gepaard aan een
popje met een kegelvormige snavel zal jongen geven met snavels die korter zijn
dan deze van de vader, maar langer dan deze van de moeder. Zo zal het gaan bij
alle eigenschappen.
Dominante vererving:
In dit geval is de mutatie qua verschijningsvorm dominant over de
wildvorm. Gezien we steeds spreken over chromosoomparen kan een mutatie enkel-
of dubbelfactorig aanwezig zijn, dus gelegen op één of beide genen. Voorlopig
kunnen we bij de zebravink niet spreken over dubbelfactorig. Indien de factor
toch dubbel aanwezig is bij de vorming van de kiemcel, dan sterft de vrucht af
en spreken we van de werking van de lethaalfactor. Volgende mutaties vererven
dominant: blackface, wang, kuif, pastel en bleekwang.
Geslachtsgebonden vererving:
In dit geval is de mutatie gelegen op de geslachtschromosomen, meer
bepaald op het X-chromosoom. Gezien het popje maar één X-chromosoom bezit, zal
ze alleen haar eigen kleur kunnen doorgeven aan haar jongen, dit heeft als
gevolg dat een popje nooit split kan zijn voor een andere geslachtsgebonden
verervende kleur. Een mannetje kan dat wel doordat hij in het bezit is van de
twee X-chromosomen. Geslachtsgebonden verervende
mutaties zijn: grijs, bruin, bleekrug grijs,
bleekrug bruin, masker grijs en masker bruin.
Recessieve vererving:
Deze verervingsvorm is tegengesteld aan de dominante vererving. In
dit geval is de wildvorm dominant over de recessieve mutatie. Het gemuteerde gen
is dus gelegen op één der acht autosomale chromosomenparen. De mutatie is dus
zichtbaar als de factor aanwezig is op beide chromosomen van het chromosomenpaar
of anders gezegd dubbelfactorig aanwezig.
Andere specifieke verervingsvormen zoals
crossing-over en
gekoppelde factoren zullen behandeld worden bij de kleurslagen waarop dit
van toepassing is zoals bij bleekrug bruin en bij zwartwang wang.
Terug naar boven
© The World Of
Zebrafinches - Jos & Sebastien Libens
|