|

Op
deze pagina behandelen we de
mutaties die iets minder bekend of totaal onbekend zijn bij het merendeel der
liefhebbers. De eerste twee besproken mutaties, de kuif en de geelsnavel, bestaan nochtans al zeer
lang. Waarom ze echter nooit echt populair geworden zijn is echter een raadsel.
Al deze mutaties zijn in te kweken in de basiskleuren en kunnen daarnaast
nog gecombineerd worden met alle andere besproken mutaties in het hoofdstuk
mutaties. We raden echter aan
om al deze minder populaire mutaties alleen te kweken in grijs en in bruin. In
combinatie met deze twee kleuren komen
ze het meest tot hun recht en verliezen ze het minst hun formaat en model.
Kuif:
Deze mutatie maakt dat een
zebravink getooid kan zijn met een kuif. De gekuifde zebravink is een unieke
zebravink in die zin dat de mutant in tegenstelling tot alle
andere
bestaande mutaties een veermutatie is. Alle andere mutaties zijn kleur- of
tekeningmutaties. Deze mutatie is rond 1972 vanuit Japan geïmporteerd. Tussen
een zending exoten uit dat land ontdekte men een viertal gekuifde zebravinken.
Het waren zebravinken met op de kop enkele opstekende veertjes. Nu meer dan
dertig jaar later is de kuifmutatie er nog steeds niet in geslaagd om echt
populair te worden.
De kuifmutatie veroorzaakt een
gewijzigde inplanting van de veertjes op de kop. een jonge kuif herkent men
reeds van in het nest. Bij het verschijnen van de eerste stoppels bemerkt men
duidelijk de gewijzigde vederinplant. De stoppels staan waaiervormig ing eplant,
terwijl die bij een normale of een gladkop rechtlijnig is. Bij de kuif-zebravink
kunnen we drie types van kuif onderscheiden:
1 De puntkuif: slechts enkele veertjes staan schuin of recht omhoog gericht. Zie
de bruine pop hiernaast.
2 De halfronde kuif: de rommelig opstaande kopveertjes vormen een half cirkeltje
naar voor of naar achter gericht.
3 De rosetvormige kuif: de veertjes liggen vlak en vormen een volledige cirkel.
De veertjes waaieren uit vanuit een centraal op de kop gelegen punt.
De kuiffactor vererft dominant
autosomaal tegenover de wildkleur. Dat wil zeggen dat wanneer je een kuif paart
aan een gladkop je theoretisch de helft kuiven krijgt en de helft gladkoppen. In
de praktijk blijkt dat men bijna nooit aan die percentages komt, dus aan de
helft kuiven. Meestal rekent men op 30% kuif in de nakweek, dit percentage
stijgt echter als men een kuif paart aan een gladkop die uit de kuifkweek komt.
Een reden hiervoor zou zijn dat meerdere genen verantwoordelijk zijn voor de
kuifvorming. Paring van kuif aan kuif levert geen dubbelfactorige kuiven op.
Integendeel, bij deze paring treed de lethaalfactor op waardoor dubbelfactorige
kuiven niet leefbaar zijn. De partners voor de kuifkweek moeten over een lange
schimmel bevedering beschikken opdat de kopveertjes lang genoeg zijn om mooi te
krullen.
Bij
de
kweek van kuiven is niet alleen de vorm van de kuif een moeilijke factor. De
kuif-zebravink heeft ook nog een kleur en tekening die moet voldoen aan de
standaard, evenals het model en het formaat die moeten inleveren bij de kuiven.
Een bijkomend fenomeen is dat bij zeer veel kuiven de nagels naar achter krullen
en uiteindelijk afvallen. Hierdoor zijn ze onverbiddelijk afgeschreven voor de
show. Verwondert het jullie nu nog dat de kuiven niet populair zijn?
Een pluspunt is dat kuiven een zeer
goede snavelvorm hebben, zeer kort en mooi kegelvormig. Alleen om deze reden al
werden ze vroeger ingekweekt in stammen die zeer lange en spitse snavels hadden.
Naar boven
Geelsnavel:
Wanneer deze mutatie ontstaan is,
is niet met zekerheid te zeggen. Wel staat het vast dat van deze mutatie reeds
in de vroege jaren vijftig melding gemaakt werd.
Het
is ook best mogelijk dat deze mutatie bij het ontstaan enige tijd onopgemerkt
geweest is, omdat zebravinken die uit conditie zijn ook wel eens een lichtere
snavelkleur krijgen. Ook deze mutatie is nooit echt populair geweest. De laatste
jaren komen ze wel iets meer op de showrekken, maar het zijn steeds dezelfde
kwekers die ze tentoonstellen. Meestal duikt er plots een geelsnavel in de
nakweek op en die kwekers doen er dan mee verder.
Deze mutatie veroorzaakt een
kleurverandering van de rode carotenoïde kleur in de snavel en in de poten. Hij
wordt onder i nvloed
van van de mutatie plots geel in plaats van rood. De kleur van de snavel bij de
man wordt omschreven als okergeel en bij de pop bleekgeel. Ondanks het feit dat
er in de bevedering van de zebravink geen carotenoïde voorkomt geeft de
geelsnavel toch een gele schijn aan de kleur waardoor deze zachter lijkt.
De vererving is recessief
autosomaal wat inhoudt dat uit de paring van geelsnavel aan roodsnavel er alleen
splitvogels gekweekt worden of roodsnavels split voor geelsnavel. Paring van een
geelsnavel aan zo een split geeft de helft geelsnavels. Best kweek je deze
mutatie in de klassieke kleuren omdat de factor verkleinend werkt.
Naar boven
Bleekwang:
De ze
mutatie kunnen we het best beschrijven aan de hand van bijgeleverde foto's. De
bleekwangen die we hierbij plaatsen zijn gekweekt door RuurdW ietze Kort en
Arjan Zatinga, ze tonen
bleekwang grijze mannen. Deze foto's laten duidelijk zien dat de wang en de flanken
aardig opgebleekt zijn. Daarom is het niet meer dan logisch dat deze mutatie
best alleen ingekweekt wordt in kleuren waarbij de mannen volle donkere
wangen hebben, we denken dus aan grijs, bruin en bleekrug grijs. Zeker niet
combineren met mutaties die reeds een opbleking van de wangen geven zoals
pastel, isabel, witborst, enz.
Doordat de mutatie alleen invloed heeft op de kleur van wangen en flanken is ze
alleen zichtbaar bij de mannen en dit levert serieuze
problemen op want
uiterlijk is er geen of zeer weinig verschil tussen een bleekwang grijze pop en
een grijze pop. Daar deze mutatie in België zo goed als onbestaand is moeten we
wachten op de ervaringen van de kwekers in Nederland. Van één zaak zijn we zeker
en dat is dat de vererving autosomaal dominant is. Als we een bleekwang grijze
man paren aan een grijze pop krijgen we de helft bleekwang, maar vermits dit
alleen bij de mannen te zien is lijkt het alsof we er veel minder uit kweken.
Laten we stellen dat deze mutatie nog in een experimenteel stadium zit. Vermits
we zeer nauwe contacten onderhouden met beide kwekers en ook nog met andere
bevriende kwekers die er pas zijn mee begonnen, kunnen we jullie zeer goed op de
hoogte houden van de laatste verwikkelingen.
Naar boven
Eumo:
In
1966
trad bij de Nederlandse kweker P. Kars een kleurverandering op bij zijn
zebravinken. De vogels werden zwarter in borst en buik en ook in de teugelzone.
Na de rui verdween deze zwarte kleur grotendeels. Dit is een eigenschap die
regelmatig voorkomt bij vogels die het zonder daglicht moeten doen. De eerste
echte eumo's mocht ik aanschouwen bij Harry Broos. Ik was er samen met Jan van
Looy op bezoek en Harry toonde ons deze vogels die bijna volledig zwart waren
maar niet konden vliegen. Voor Harry was het iets ongelooflijks, voor Jan en
mezelf waren het zebravinken die niet konden vliegen.
Gedurende vele jaren is deze
mutatie in de lappenmand gebleven, maar de laatste tijd is er enorm veel vraag
naar. De mutatie heeft een eigenaardige werking. Over het ganse lichaam is er
een toename van eumelanine. Anderzijds is het opvallende dat in de veren de
haakjes ontbreken en hierdo or
kan de vogel geen luchtdicht vleugeldek vormen en rondvliegen. Vooral de mannen
hebben dit gebrek want sommige popjes kunnen wel vliegen. Alleen zijn ze dan
veel minder zwart van kleur. Op dit ogenblik zijn er enkele kwekers in geslaagd
om eumo's te kweken die vrij goed kunnen vliegen.
De vererving is recessief
autosomaal en best kweekt men ze in combinatie met grijs. Zeker nog niet teveel
experimenteren met combineren met andere mutaties, eerst trachten krachtige en
gezonde eumo
grijzen te kweken.
Naar boven
© The World Of Zebrafinches - Jos & Sebastien Libens
Deze pagina is
keer bezocht sinds 2 januari 2009.
|