|
De witborst mutatie is één
der oudste mutaties in ons zebravinkenbestand. Volgens gegevens van ornithologen
zou deze mutatie zelfs in de natuur waargenomen
zijn en zou ze vanuit Australië rond 1950 ingevoerd zijn in onze streken. Van
bij de invoer tot een een twintigtal jaren geleden noemde men deze de
vleugelmutatie, men kende toen de grijsvleugel en de bruinvleugel. Deze benaming
kwam er doordat de eerste mannelijke witborsten geen witte borst hadden maar wel
en sprekende vleugelomzoming.
Via selectie kon men en kan men in twee richtingen kweken; terug naar de
wildkleur en met borsttekening of van de wildkleur weg en richting witte borst.
Twintig jaar geleden hebben we voor het laatste gekozen, namelijk het volledig
wegkweken van borstband en zebratekening. Gevolg hiervan was dat de naam
witborst veel beter pastte bij de verschijningsvorm, zij het in mindere mate bij
de poppen. In veel landen spreekt men nog steeds van Pinguïn-mutatie, zelfs in
ons eigen Wallonië.
De witborstfactor
reduceert zeer sterk de eu- en de phaeomelanine. Maar de factor werkt
verschillend in op beide pigmenten per veerveld. Best bespreken we de
veranderingen veerveld per veerveld.
De borst: zoals de naam aangeeft wordt er bij mannen en poppen een
volledig wiite borst gevraagd. De eu- en phaeomelanine worden hier belet om te
oxyderen. Theoretisch verschijnt er als gevolg hiervan een witte borst, in de
praktijk pakt dit echter anders uit. Het is zeer moeilijk om een witte borst te
verkrijgen bij de mannetjes, vooral het eerste jaar is dit echt moeilijk.
Witborst mannen zijn daarom het mooist op hun tweede tot derde jaar.
Heel opmerkelijk is dat jonge witborsten in het nest soms niet te onderscheiden
zijn van gewone bruine. Ze bezitten dan alle pigmenten nog, het is pas als de
rui aanvangt dat we de witte veervelden zien te voorschijn komen.
De buikkleur: zowel bij de poppen als de mannen zal de buikkleur
smetteloos wit zijn. In principe is de reductie van phaeomelanine in dit
veeronderdeel totaal. Hieruit kunnen we besluiten dat bij de witborsten
theoretisch alle pigmenten belet van aan de sanavel tot aan de aars.
Oog- en snavelstreep: in deze tekeningonderdelen is de reductie totaal
zodat we theoretich gezien geen oog- en snavelstreep zien. Dit is weer theorie
want veel poppen laten wel oogstreep zien. Jonge witborsten in het nest hebben
zelfs zeer duidelijken oogstrepen, die evenwel uitruien.
Rug- en vleugeldek: door de reducerende werking van de witborst mutatie
zal de kleur van de bevedering van het rug- en vleugeldek veel lichter zijn dan
bij de niet witborsten. Een ander gevolg van deze reducerende werking is het
verschijnen van een sprekende witte omzoming. Deze omzoming ontstaat doordat de
phaeomelanine in de toppen van de kleine en middelste vleugelpennen alsook in de
buitenvlag volledig is gereduceerd. Ook hier wezen opgemerkt dat jonge
witborsten deze omzoming nog niet hebben omdat er dan nog phaeomelanine aanwezig
is. Na de eerste rui verdwijnt de phaeomelanine en verschijnt de witte omzoming.
Wangen en flanken: de wang- en flankkleur van de mannen wordt eveneens
beïnvloed door de mutatie. Ook de tekeningonderdelen zullen lichter uitvallen
dan bij de niet witborsten. Toch dient er via selectie naar gestreefd te worden
om deze zo diep mogelijk te verkrijgen. Bij de poppen treedt een grotere
verandering op. De wangen worden wit en dit is zeer makkelijk te verkrijgen. De
kleur der flanken, of beter gezegd de kleur van de plaatsen waar bij de man de
flank zich bevindt, is wel een discussiepunt. Het is zo dat er twee uitersten
zijn: enerzijds poppen met witte flankkleur en poppen met een flankkleur zoals
het rugdek. Deze eigenschap is gekoppeld aan de sterkte van de vleugelomzoming,
veel omzoming geeft witte flankkleur en weinig omzoming geeft gekleurde flanken.
Dit is eigenlijk de logica zelve.
Kop: in de kopbevedering valt eveneens de sterk reducerende werking van
de mutatie op, vooral in de toppen van de bevedering. Doordat de veertjes op de
kop zeer kort zijn, vooral deze aan de snavelinplant, is het mogelijk deze
volledig wit te kweken. Hierdoor ontstaat er een wit veerveld tussen de
snavelinplant en het begin van de kopkleur. Deze fout wordt zeer streng gestraft
tijdens de keuring.
Staarttekening: de kleur van de staartblokken en de onderstaartdekveren
wordt eveneens zeer sterk opgebleekt. Niet zelden zijn de staartblokken geheel
afwezig. In de standaardeisen staat echter dat de staarttekening nog duidelijk
te zien moet zijn.

Witborst
grijs:
De wi tborst
grijs is moeilijker te kweken naar de standaard dan de witborst bruine. Het is
werkelijk zeer moeilijk om mannen te kweken met een zuivere witte borst en
poppen zonder oogstreep. Dit komt omdat het geringste restje eumelanine sterk
opvalt op een wit veerveld. Goede exemplaren zijn erg mooie contrastrijke
verschijningsvormen.
De vererving is recessief autosomaal. Paring van een witborst grijze aan een
grijze of omgekeerd geeft 100% jonge grijzen die echter split zijn voor witborst
of enkelfactorig witborst. Paring van zo een splitvogel of enkelfactorige
witborst aan een volle witborst of een dubbelfactorige geeft 50% enkelfactorig
of split en 50% dubbelfactorig of vol witborst.
Kweektips:
naast de sterke opblekende invloed op de kleur heeft de witborst factor ook een
sterke invloed op het formaat van de vogels. Wil men b eide
eigenschappen een beetje onder controle houden dan is het niet aan te raden om
voortdurend witborst grijs aan witborst grijs te paren. Wie witborsten van een
fatsoenlijk formaat en een mooie kleur wenst te kweken moet kunnen terug vallen
op forse grijzen. De punten waarop we bij de selectie van de grijze partners
alsook de splitvogels moeten selecteren zijn in volgorde van belangrijkheid:
-
Formaat
en model zo fors mogelijk.
-
Wangen
en flanken die zo diep mogelijk van kleur dienen te zijn bij de mannen.
-
Het
rug- en vleugeldek dient zo donker mogelijk te zijn.
-
Oog- en
snavelstreep en borst band zo smal mogelijk.
Naar boven
Witborst
bruin:
Het enige verschil met de
witborst grijze is de kleur van de eumelanine. De witborst bruin zal zodoende
bruine eumelanine in z’n bevedering hebben in co mbinatie met een weinig
phaeomelanine. De kleur van de witborst bruin zal echter nooit zo warm zijn als
bij de bruine. Ook de kleur van wangen en flanken zal analoog aan de witborst
grijze lichter zijn dan bij de bruine.
De vererving van de witborst factor is zoals we weten recessief autosomaal e
bruine vererft geslachtsgebonden aan de grijze. Om bruine witborst te kweken
paar je best een bruine man aan een witborst grijze pop. De jonge mannen hieruit
zijn grijs en split voor bruin en witborst, bruin en witborst zijn echter niet
gekoppeld. De jonge poppen zijn bruin split witborst of enkelfactorig witborst.
Kweektips:
uit eigen ervaring en uit contacten met verscheidene kwekers kunnen we stellen
dat het emrendeel der kwekers steeds de paring vol ma al split doet of
enkelfactorig aan dubbelfactorig. De punten waarop we bij de selectie van de
bruine partners alsook de splitvogels moeten selecteren zijn in volgorde van
belangrijkheid:
-
Formaat
en model zo fors mogelijk.
-
Wangen
en flanken die zo diep mogelijk van kleur dienen te zijn bij de mannen.
-
Het
rug- en vleugeldek dient zo donker mogelijk te zijn.
-
Oog- en
snavelstreep en borst band zo smal mogelijk.
Blijf bij de splitvogels zoveel mogelijk in de bruine serie om de kleur van het
rugdek optimaal warm te houden. Waar u moet naar kijken bij alle witborsten is
dat de kleur boven en achter de wangen durft verbleken. Soms komen daar zelfs
ganse witte vlekken voor. De enige oplossing is te vinden in het paren aan
splitvogels
Naar boven
© The World Of
Zebrafinches - Jos & Sebastien Libens
Deze pagina is
keer bezocht sinds 2 januari 2009.
|